Demonstreren in China lijkt zinloos. Protesten worden snel onderdrukt en kritiek op de centrale regering wordt niet geduld. Toch gingen vorig jaar opvallend veel mensen de straat op. Hoeveel nut heeft demonstreren in een autoritair land?
Rond het middaguur is het een komen en gaan bij de poort van Henen Puli, een ommuurd wooncomplex aan de rand van de Chinese stad Changsha. Maaltijdbezorgers rijden af en aan op hun scooters en schuiven haastig plastic tassen met lunchboxen in de kluisjes bij de ingang om snel verder te rijden naar hun volgende bezorgadres.
Het is relatief rustig vergeleken met eind december, toen zich op deze plek tientallen, zo niet honderden bezorgers verzamelden. Niet om maaltijden af te leveren, maar om te protesteren tegen een maatregel die hun verbood om op hun scooters het complex in te rijden, waardoor ze veel meer tijd kwijt zouden zijn. Al toeterend en joelend reden ze rondjes door de straten in de buurt. Toen rond middernacht agenten in politiewagens arriveerden om de situatie onder controle te krijgen, zetten een paar bezorgers de achtervolging in.
Videobeelden van het incident verspreidden zich razendsnel op Chinese sociale media en doken al snel ook op westerse platforms op. De Chinese onderzoeksjournalist Wang Zhi’an, die in 2020 naar Japan vluchtte, bundelde fragmenten in een zes minuten durende compilatie op YouTube. In de video zegt een van de demonstrerende bezorgers: “We dachten dat we aan de armoede waren ontsnapt, maar mensen glijden langzaam terug. Het inkomen daalt. Veel mensen zijn zich hiervan bewust, maar niemand durft erover te praten.”